Wetgeving

Halal verbieden en Haram toestaan staat gelijk aan het plegen van Shirk.

Hoewel de Islam alle mensen vermaant, die op eigen gezag verklaren wat wettig en onwettig is, is zij nog strenger ten opzichte van diegenen, die onjuiste verboden uitroepen, omdat het creëren van verboden moeilijkheden voor de mensen veroorzaakt en onterecht beperkt, wat Allah ruim voor Zijn schepselen heeft gemaakt. Deze tendens heerst onder sommigen van hen, die in godsdienstzaken te extreem worden en zij moeten in bedwang gehouden worden. De Profeet (vzmh) vocht met alle mogelijke middelen tegen deze pseudovroomheid en dwepers en waarschuwde iedereen die zich daaraan overgaf met de volgende woorden: “De dwepers zullen weggevaagd worden.” Hij herhaalde dit drie maal.

De Profeet (vzmh) karakteriseerde zijn boodschap met de volgende uitspraak: “Ik ben gestuurd met dat wat goed en gemakkelijk is.”

De duidelijkheid van zijn boodschap houdt het geloof in de tawhied (de eenheid van Allah) in, en in het gemak van haar uitvoering en wetgeving in tegenstelling tot het geloof in shirk en verboden op de goede dingen van het leven.

De Profeet (vzmh) heeft dit alles in een Hadith Qudsi overgeleverd:14 “Zij verboden15 de mensen, wat Ik wettig heb gemaakt, want Ik schiep de mensen oprecht (hunafah). Toen kwamen de kwaadwillenden tot hen en leidden hen weg van hun godsdienst. en zij bevalen om anderen met Mij te associëren waarvoor Ik geen autoriteit nedergezonden had.”16

Iets verbieden wat Halal is staat gelijk aan het plegen van shirk en daarom berispt de Qor’aan de Arabische afgodaanbidders om hun polytheïsme, hun afgoden en de verboden die zij zichzelf zonder het gezag van Allah hebben opgelegd; onder deze verboden die zij zichzelf oplegden viel het eten van een aantal producten en soorten vee. Onder de verboden soorten vee viel de bahirah, saibah, wasilah en ham van de pre-Islamitische periode oftewel de jahiliyyah.

Bahirah (gespleten oor) verwijst naar een kamelenmerrie, die vijf veulens geworpen heeft, waarvan de laatste een hengst je was. Het oor van zon kameel werd gespleten en zij werd vrijgelaten; ze mocht niet meer gemolken, bereden of geslacht worden en ze mocht van elke plaats ongehinderd eten of drinken.

Saibah verwijst naar een kameel, mannelijk of vrouwelijk, die vanwege een eed vrijgelaten was, meestal werd die eed afgelegd ter wille van een veilige thuiskomst na een lange reis, of het genezen van een zieke, of een andere reden. De polytheïsten hadden de gewoonte om de eerstgeborene van een moedergeit, als het een bokje was, voor hun goden te offeren, en als het een geitje was, het zelf te behouden. Als de moedergeit echter een tweeling wierp waarvan één een bokje was en de andere een geitje, zeiden Zij: “Hij is haar broer” en in plaats van hem te offeren lieten ze hem vrij en werd hij de Wasilah.

En als de tweede generatie van een mannelijke kameel in staat was om een berijder te dragen werd de oudere kameel vrijgelaten, zeggende: “Hij heeft zijn rug gered.” Deze kameel werd dan al-Ham genoemd.

Er zijn andere interpretaties van deze vier termen maar ze komen allemaal op hetzelfde neer. De Qor’aan verwierp deze verboden en accepteert geen excuus van degene, die ze naleeft en dezelfde fouten als zijn voorvaderen begaat.

“Allah heeft geen Bahira, Saiba, Wasila of Haam verordend, maar de ongelovigen verzinnen een leugen tegen Allah en de meesten hunner begrijpen dit niet. En wanneer er tot hen wordt gezegd: “Komt tot hetgeen Allah heeft geopenbaard en tot de boodschapper,” zeggen zij: “Voor ons is datgene waarin wij onze vaderen zagen geloven, voldoende.” Zelfs indien hun vaderen niets wisten en geen leiding hadden?” (Q.5:103-104)

In Soerah Al-An’am staat een gedetailleerde discussie van wat volgens de mensen Haram was, met betrekking tot kamelen, ossen, schapen en geiten. In deze context gebruikt de Qor’aan een ironische stijl van retorische vragen om hen van hun fouten te overtuigen:

Acht, in paren: Twee van de schapen en twee van de geiten. Zeg: “Zijn het de twee mannelijke dieren, die Hij heeft verboden, of de twee vrouwelijke dieren, ofwel, hetgeen de baarmoeders der twee vrouwelijke dieren bevatten? Onderricht mij met zekerheid, indien gij waarachtig zijt.” En twee der kamelen en twee der runderen. Zeg: “Zijn het de twee mannelijke dieren die Hij heeft verboden of de twee vrouwelijke dieren ofwel, hetgeen de baarmoeders der twee vrouwelijke dieren bevatten?” (Q.6:143-144)

Soerah al A’raf bevat een andere discussie, waarin Allah Soebhanahoe wa Ta’ala alle verbodsbepalingen verwerpt en een laatste criterium neerlegt dat alle verboden omvat:

“Zeg: “Wie heeft de tooi van Allah, die Hij voor Zijn dienaren heeft voortgebracht en zuiver voedsel, verboden?” Zeg: “Zij zijn ook voor de gelovigen in het tegenwoordige leven en voor hen alleen op de Dag der Opstanding.” Zo verklaren Wij de tekenen aan een volk dat begrip heeft. Zeg: “Mijn Heer heeft slechte daden, hetzij openlijk of in het geheim verboden en zonde en ongerechtvaardigde opstand; en dat gij datgene met Allah vereenzelvigt, waarvoor Hij u geen gezag heeft nedergezonden en dat gij van Allah dingen zegt, die gij niet weet.” (Q.7:32-33)

Een opvallend aspect van deze twee discussies is, dat zij in Mekka geopenbaard werden. De Mekkaanse openbaringen gaan allen over geloofszaken, de eenheid van Allah en het hiernamaals. We kunnen hieruit afleiden, dat volgens Allah het verboden verklaren van dingen zonder gezag van Hem, geen onbeduidende zaak is, maar iets wat tot de fundamenten en de algemene geloofsprincipes behoort.

In Medina vertoonden een aantal moslims neigingen tot ascese en onthielden zichzelf van een aantal toegestane geneugten. Toen openbaarde Allah de volgende niet mis te verstane verzen om hen binnen de grenzen te houden, die Hij Zelf gesteld had:

“O, gij die gelooft, maakt de goede dingen die Allah voor u wettig heeft gemaakt, niet onwettig en overtreedt niet. Waarlijk, Allah heeft de overtreders niet lief. En eet wat goed en geoorloofd is waarvan Allah u heeft voorzien. En vreest Allah in Wie gij gelooft.” (Q.5:87-88)

Yusuf al Qaradawi

SHAYKH YUSUF AL QARADAWI,1926, IS EEN TOONAANGEVEND ISLAMITISCHE THEOLOOG. HIJ STUDEERDE AF AAN HET USUL UD-DEEN (THEOLOGIE) FACULTEIT VAN HET AL AZHAR UNIVERSITEIT IN 1953. HIJ BEHAALDE ZIJN LERAARCERTIFICAAT IN 1954 EN WERD IN 1974 PH.D. (DOCTOR IN WETENSCHAPPEN). HIJ WERD ONDER ANDERE BEKEND DOOR ZIJN WEKELIJKSE PROGRAMMA, WETGEVING EN HET LEVEN (SHARIA WAL HAYAT), DAT UITGEZONDEN WORDT OP ALJAZEERA.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Zie ook

Close
Close